200 jaar moed en opoffering te Ingelmunster.

De Heilige Barbara, beschermheilige van de brandweermannen, verloor 64 jaar geleden haar plaatsje op de heiligenkalender. Het Tweede Vatikaans Concilie hield grote kuis in de heiligen, die vaak plaatselijk vereerd werden. Op 4 december moet zij nu haar plaats delen met drie priesters die er in de loop van de eeuwen zijn aan toegevoegd. Op zaterdag 14 december viert het Ingelmunsterse brandweerkorps ‘Barbara’. Het feest heeft net zoals het korps en de brandbestrijding een echte metamorfose meegemaakt tijdens de laatste twintig jaar. Alleen de paraatheid en de onverdroten inzet zijn gebleven. Dit is hun verhaal.

Van burgerwacht tot korps

Het bestrijden van branden is iets wat de mensen al heel lang bezighoudt. Zo bestonden er in Egypte reeds bezweringsformules om het vuur buiten de tempels en de huizen te houden. In het Romeinse Rijk was de brandbestrijding, wellicht omwille van het grote risico, het werk van slaven. De Romeinen wisten wel wat grote branden waren, denken we maar aan de grote brand die onder keizer Nero de arme wijken van Rome in de as legde. Hier moeten we dan ook het eerste beroepskorps situeren. Dit beroepskorps bestond hoofdzakelijk uit slaven. Marcus Licinius Crassus, de beschermer van Julius Caesar, was ‘brandrijk’. Was er een brand dan kwam hij met karren waarop een watertank was bevestigd. Bij de brand onderhandelde hij met de eigenaar van het brandende huis over de rente die hij na het blussen van het huis een leven lang zou krijgen. Gelukkig is deze manier van brandbestrijding het Ingelmunsterse korps altijd onbekend gebleven. En Ingelmunster……blijft van deze ontwikkeling verstoten. We zien wel dat de grote steden proberen vuur buiten de muren te houden. In onze provincie zijn steden als Kortrijk en Brugge heel streng tijdens de Middeleeuwen. Zij waren de enigen die in staat waren om een nachtwacht te betalen. Deze nachtwacht was soms niet meer dan een gewapende bende, geleid door edellieden die hun kasteel hadden geruild voor een riant stadspand. Brugge kan hier zeker als voorbeeld dienen. Deze stad legde zijn burgers heel wat verplichtingen op om branden te vermijden: schoorstenen moesten een bepaalde hoogte boven het dak uitsteken, geen balken in de schouwen, voorgevels moesten uit kalk en steen opgetrokken worden,  schouwen mochten niet doorheen houten schotten geleid worden. Beroepen die ‘vuur’ nodig hadden, zoals bakkers, smeden… moesten verschillende voorzieningen nemen. Alle ovens en vuren werden angstvallig gecontroleerd door de burgerlijke overheid. Vuur stak men aan in een gesloten ruimte (lantaarn). Naast de gilde van de wevers, de slagers…komt de blusgilde. In onze streek zien we Roeselare vanaf 1499 als eerste stad de oudst bewaarde notities over de aanschaf van emmers en tonnen opnemen in de stadsrekeningen. En Ingelmunster……blijft van deze ontwikkeling verstoten omdat alleen het kasteel en enkele bakstenen hoeves echt de moeite waard waren. De schuttersgilde Sint Sebastiaan heeft in deze periode hoogstwaarschijnlijk haar verantwoordelijkheid opgenomen.

Franse aanzet tot een Ingelmunsters korps

Maar op het einde van de 18de eeuw gebeurt er iets dat heel Europa zal veranderen. In Frankrijk wordt Lodewijk XVI en zijn politiek stelsel aan de kant gezet. 

De Franse Revolutie doet zo zijn intrede. Met deze revolutie nemen de gewone burgers hun verantwoordelijkheden op. Was het de adel die het vroeger allemaal organiseerde, nu gaan de burgers de politiek maken. (Noot: In Frankrijk zorgden ook enkele abdijen voor de brandbestrijding. Door het vernietigen van deze abdijgemeenschappen kwamen grote gebieden onbeschermd).

En zo nam Ingelmunster voor het eerst deel aan de moderne brandbestrijding. Ingelmunster werd eigenlijk verplicht want in 1790 werden op 16 en 24 augustus wetten van kracht waardoor de gemeenten een brandweerkorps moesten hebben.

Pas in 1804 wordt er officieel geschreven over de brandweer. De onderprefect te Kortrijk schrijft vriendelijk, maar toch dwingend, over de aanschaf van een brandweerpomp. De aanschaf van deze pomp zal wel nog een hele lange tijd op zich laten wachten. De kostprijs zal hier zeker een rol gespeeld hebben. Pas in 1828 wordt deze aangekocht. Van deze ‘pomp’ moeten we ons niet teveel voorstellen. Ze had een spuitbak van 4 tot 5 hectoliter en het overbruggen van een hoogteverschil mocht niet meer dan 10-15 meter bedragen.

Briefje van de onderprefect van Kortrijk. (Bewaard in de Ingelmunsterse brandweerkazerne.)

De eerste brandweermannen die een benoeming kregen, waren Petrus Combes en Ludovicus Raepsaet. Zij konden onmogelijk alleen een brand bestrijden. We moeten hier veeleer denken aan een groepje mannen die ter plaatse de brandbestrijding organiseerden.

Deze benoeming gebeurde op 19 mei 1840 . Hier hebben we niet zozeer te maken met een korps. We moeten hen veeleer zien als ‘brandmeesters’. Deze mensen werden door de gemeente betaald om bij geval van brand en ramp, mensen te ‘affecteren’. Zij waren ook verantwoordelijk voor ‘het dure blusmateriaal’. 

Dit blusmateriaal was al geruime tijd een heet hangijzer binnen Ingelmunster. Zo gebeurde het dat de ‘Huart-brandspuit’ defect geraakte. Door grove nalatigheden van de verantwoordelijken geraakte die maar niet hersteld. Dit leidde tot een politieke malaise. De drie gemeenteraadsleden Carron, Lemettre en Huyghe, die in 1839 waren verkozen, moesten aftreden. Later zal Jan Francis Carron bewijzen dat hij zijn lesje had geleerd want in 1865 zal hij aan de basis liggen van grondige investeringen in het brandweermateriaal.

Aanloop tot de grote wereldbrand…

Van een echt ‘pompierskorps’ zal er maar sprake zijn vanaf het begin van de 20e eeuw. In 1812 zal Napoleon de brandweer ook militair organiseren. Zij werden ‘garde-pompier’ genoemd. In Ingelmunster krijgen de brandweermannen politietaken toebedeeld. Deze organisatie heeft in België voor heel wat problemen gezorgd. De wet i.v.m. de Burgerwacht van  1897 heeft hierin wel duidelijkheid gebracht. De militaire organisatie moest aansluiten bij de Gemeentelijke Politie en de Rijkswacht. Ingelmunster heeft ook aan deze evolutie deelgenomen maar op beperkte schaal. Men moet alles zien tegenover een achtergrond van politieke onrust. Binnen 14 jaar zal de wereld opgeschrikt worden door een oorlog die bijna alle Europese landen meesleurde in een conflict. 

Het Franse bewind heeft Ingelmunster nooit kunnen verplichten om de voorgestelde waterpomp te kopen.

Ook tijdens het Hollands bewind wordt op de bijkomsten van ‘het plaetslijke bestuur der gemeente Ingelmunster’ allusie gemaakt over de brandweer. Zo vermeldt het verslag van de vergadering op 19 oktober 1823 een mededeling dat er ergens in Henegouwen een ijzeren brandspuit is uitgevonden. ‘Het plaetselijke bestuur’ houdt tijdens deze ‘buytengewoone zitting’ de boot af door te menen dat er te weinig branden zijn. Waarschijnelijk is de hoge kostprijs doorslaggevend geweest.

Maar de Hollandse Raad dringt zich op en in 1825 krijgt men een nieuwe ‘circulaire’. De gemeente doet alsof haar neus bloedt. Men gebruikt de volgende omschrijving: ‘nimmer of zeer wijnig enig gebruik zoud kunnen gemaakt worden’.

In 1828 krijgt men uiteindelijk 150 gulden op de begroting voor de aankoop van ‘een ijzeren spuit’ bij Steverlinck. Dit is de eerste grote aankoop van materiaal voor ‘blusching’.

We zien dat de Belgische wetgeving maar weinig achterpoortjes openhoudt om te ontsnappen aan een uitbouw van een brandweerkorps. Men wordt door de wet van 30 maart 1836 in Ingelmunster verplicht om 2 ‘brandspuygasten’ te benoemen. Het worden Petrus Crombez en Ludovic Rapsaet.

Zij worden verantwoordelijk voor de organisatie van de ‘blussinge’. 

Burgemeester Carron die voordien als gemeenteraadslid had moeten aftreden  omdat de ‘brandspuyte’ in Izegem maar niet hersteld geraakte, schoot wakker. Door de talrijke branden wordt overgegaan tot de aankoop van een nieuwe pomp, ‘duitse linnen darmen’, manden….

De gemeente zal voor de brandweer het volgende inschrijven in de begroting:

1862 : 0 franken                                              

1872 : 146,6 franken

 1882 : 168 franken

De brandweermannen werken vooral samen met de nachtwaker van de gemeente. Nachtwaker werd je vaak van vader op zoon. Dat gebeurde met Eduard Demynck die het doorgaf aan zijn zoon Emiel.

Op 17 december 1908 beslist men om aan te sluiten bij de Onderlinge Hulp-en Pensioenkast der pompiers van West-Vlaanderen. Hier moet de gemeente per brandweerman 1 frank bijdrage betalen. 9 gemeenteraadsleden stemmen voor, één tegen. 40 franken worden daarvoor vrijgemaakt.

Even voor de eerste wereldoorlog gaat de gemeente een groot deel van zijn brandweermateriaal vernieuwen.

Eigenlijk heeft de provincie het materiaal aangekocht: 300 van de 450 franken kwamen uit de provinciekast. Ingelmunster heeft immers andere prioriteiten. Je kan lezen in de notulen dat men voor het wielrennersfeest van 1910 450 franken vrijmaakt. De brandweer krijgt dit jaar 150 franken.

Victor Schotte ziet in dat het wachten op geld van de gemeente niets uithaalt. Hij schiet het geld zelf voor. Zo koopt hij de eerste brandweerwagen met eigen middelen. Ingelmunster zal met het aftreden van deze brandweerkommandant verplicht worden om geen verstoppertje meer te spelen met de begroting voor de brandweer.

In het prille begin zette men de karren en pompen op de kasteelhoeve, nu wordt er een arsenaal ingericht in Weststraat. Dit arsenaal blijft tot in de jaren 60 in gebruik. Het was een gebouw met een verdieping. Hier werd ook een zaal ingericht voor de samenkomsten van het korps.

Met het arsenaal in de Weststraat werd er dan uiteindelijk ruimte gevonden voor het vele materiaal.

Het korps voor en tijdens WO II. (Interview met Jan Schepens op woensdag 1 oktober 1995)

Op die mooie herfstdag ben ik bij hem te gast om te luisteren naar zijn brandweerverhaal, het verhaal van de brandweerveteraan.

Jan is de zoon van Remi en Emely Vermeulen. Vader Remi woonde met zijn gezin in Meulebeke en verdiende zijn brood als spoorwegbediende. Van thuis uit is Jan nooit in contact gekomen met de brandweer. Niemand in zijn familie was lid van een korps.

Langs een heel bijzondere omweg is Jan in het Ingelmunsterse korps geraakt. 

In 1933 was er een grote vlasbrand waar vroeger de paardenmanege ‘De Mandelhoeve’ was. De brand had de rootinstallatie in een vlammenzee herschapen. Enorm veel volk stond te kijken waaronder Jan. Toen de brandweer er aan kwam, heeft Jan besloten om mee te helpen blussen want het korps kon de brand duidelijk niet aan.

Commandant Victor Schotte heeft toen Jan en zijn brandweerroeping opgemerkt

Jan is van militaire signatuur. Hij was onderluitenant bij het Belgische Leger, een militaire graad waar hij terecht fier op is. Na zijn legerdienst komt hij reserve-officier.

Oscar Lievrouw, die ook reserve-officier is bij het leger, wordt samen met Jan aangesproken door Victor Schotte. Victor Schotte is dan een ambitieus industrieel die een grote fabriek heeft in de Nieuwstraat. En je raadt het nooit, Victor Schotte was kapitein-vlieger geweest bij de luchtmacht. Deze jonge bevelhebber had het korps geërfd van zijn voorganger Leon Hosdey.

Het korps maakte toen een crisis mee. De officieren die er toen waren, wilden er mee stoppen.

Plotseling zat de idealistische commandant zonder officieren. Zijn enige hoop waren de twee reserve-officieren Lievrouw en Schepens. Omdat hij zelf op militaire leest geschoeid was, had hij in deze twee mensen een groot vertrouwen. Er was wel een voorwaarde verbonden om als officier bij het korps te komen: zij moesten op zaterdag- of zondagvoormiddag lessen volgen te Roeselare. Jan getuigt dat deze cursussen toen reeds heel wat energie vroegen want door tussentijdse examens werd het kaf van het koren gescheiden. Maar het lukt. In 1934 worden ze samen aangesteld als piepjonge officieren.

Hoe zag het korps er uit? Het korps was niet zo groot. Hoogstens 20 mannen waren lid van het korps. Deze mannen vormden een betrekkelijk jong korps. Jan schat de gemiddelde leeftijd rond de veertig.

Met het blusmateriaal was het anders gesteld. Ingelmunster had een spaarzame begroting voor de brandweer. Zo had men nog in 1934 een door mankracht voortbewogen brandspuit. Commandant Schotte zag de noodzaak in van persoonlijke investeringen. Hij wachtte niet op de goodwill van het schepencollege. Schotte kocht met eigen geld de eerste brandweerwagen.Volgens Jan een fantastische wagen want hij had aan de laadruimte zijdelings banken voor de brandweermannen en daar tussenin een handpomp met de brandweerslangen. Zonder Victor Schotte was het een ramp geweest.

De kleding was heel primitief. Men had enkel een soort ‘kiel’ met een ‘ceinture’, een ijzeren helm en voor de sergeanten een bijl.

De financiële vergoeding van 1 frank was heel gering, maar toch voor sommigen een welgekomen aanvulling. De officieren kregen van de gemeente meer maar dat werd doorgestort naar een groepskas.

Oostrozebeke behoorde oorspronkelijk niet tot de verantwoordelijkheid van het Ingelmunsterse korps. Maar dat zal niet zo lang meer duren.

Op de vraag of er erge branden zijn geweest, knikt hij bevestigend. Maar de branden waren bijna allemaal vlasbranden. Tijdens de oorlog, en zeker naar het einde toe, kreeg men te maken met branden veroorzaakt door bommen. Hij herinnert zich nog heel goed de ontploffing van een bom op 20 juli 1944. Aan het station van Ingelmunster zijn toen 6 mensen gestorven. Wat was er gebeurd? Op die dag hadden Britse Spitfires en Lightnings in de late namiddag het spoorwegtraject Kortrijk-Brugge willen bombarderen. Deze spoorweg was heel belangrijk, maar doordat de geallieerde bommenwerpers in die periode hun handen vol hadden met de V1-installaties in Noord-Frankrijk, werd deze taak gegeven aan gevechtspiloten. Waarschijnlijk is dit de reden dat de bombardementen heel onnauwkeurig waren. De gevolgen waren verschrikkelijk. 

De garage van Justin De Wandelaere werd volledig verwoest. Samen met zijn helper Julien Deceuninck verloor hij zijn leven. Nog harder werd het gezin van Alfons Delaere-Verthé getroffen. Een voltreffer reet het gezin werkelijk in stukken. De ouders en hun twee kinderen, een zoon en een dochter, lieten het leven. Voor de brandweermannen moet het wel een choquerende  ervaring geweest zijn, want alleen van de dochter vond men een herkenbaar lichaamsdeel. Enkele dagen later werd door familieleden bij de puinopruiming nog enkele resten gevonden en in drie kisten gestopt.

De molen in de Oostrozebekestraat vatte ook tijdens de oorlog vuur.

Het Ingelmunsterse korps wordt ook gevraagd om te helpen in Kortrijk. In de voorbereiding op de landing, bombarderen geallieerde bommenwerpers Kortrijk. Bedoeling is om het spoorwegknooppunt voor de Duitsers onbruikbaar te maken. Op Passiezondag 26 maart 1944 vielen 250 doden. Later in juli bestoken Lancasters opnieuw de stad. De tol bedroeg die maand meer dan 160 doden. Deze gebeurtenissen maakten grote indruk op de brandweermannen.

Maar de oorlog zaaide ook verdeeldheid in het Ingelmunsterse korps.

Tijdens de bange meidagen van 1940 was er een bevel gekomen vanuit de Belgische legerstaf om met het brandweermateriaal te vluchten naar Frankrijk.  Victor Schotte is toen plichtbewust als reserve-officier gevlucht met de brandweerwagen. Zijn officieren Lievrouw en Schepens werden gevangengenomen aan het Albertkanaal en als krijgsgevangenen naar Duitsland gevoerd. Pas op 15  augustus kunnen zij terugkeren.

Intussen was Victor Schotte ook teruggekeerd met het brandweermateriaal. Nu waren de meningen binnen het korps verdeeld. De ene groep prees het patriotisme van hun commandant, terwijl de andere groep daar een bewijs van lafheid en ondeskundigheid in herkende. Victor Schotte zal om verdere moeilijkheden te voorkomen zijn functie als commandant neerleggen. Er kunnen nog andere redenen meegespeeld hebben, maar hierover zijn er enkel gissingen. Een feit is dat Victor Schotte zal opgepakt worden. Victor was een heel actief lid van de weerstand. Volgens ingewijden had hij zich verborgen in een geheime tussenruimte van zijn fabriek in de Nieuwstraat. Deze ruimte was onmogelijk te vinden en hieruit wordt nog altijd door familieleden en vrienden gesuggereerd dat hij verraden werd. (Er circuleren namen van hen die hem zouden verraden hebben. Misschien lees je de opheldering van dit vraagstuk in 2020.)

Hij zal sterven ten gevolge van de tactische verplaatsingen van gevangenen tussen de concentratiekampen in Duitsland. Op 13 december 1944 sterft Victor te Gross-Rosen. Terecht mag men zeggen dat hij voor Ingelmunster heel veel betekend heeft. Hij was verantwoordelijk voor de tewerkstelling van veel mensen, medestichter van de voetbalbeweging, kommandant van het korps en geldschieter voor het noodzakelijke materiaal….Zijn opvolger zal luitenant Oscar Lievrouw zijn. (Wordt vervolgd.)

%d bloggers liken dit: